Interimwet stad- en milieubenadering

De "Interimwet stad-en-milieubenadering" is korte naam voor de wet van 19 januari 2006, houdende regels met betrekking tot zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit in stedelijk en landelijk gebied en met betrekking tot coördinatie van procedures. Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2014.

De Interimwet stad-en-milieubenadering heeft betrekking op geluid, bodem, lucht en geur (veehouderij). Deze wet geeft gemeenten, onder strikte voorwaarden, de mogelijkheid af te wijken van bepaalde milieueisen, zoals geluidsnormen. De interimwet is erop gericht om al in de planfase oplossingen te zoeken voor (milieu-) problemen die zich voordoen bij stedelijke herinrichtingprojecten, zoals geluidoverlast en bodemverontreiniging.

Met de interimwet kan de beschikbare ruimte optimaal worden ingevuld zonder te veel inbreuk te maken op de leefkwaliteit van de gebruikers. Bij de leefomgevingskwaliteit gaat het zowel om de milieukwaliteit als om andere aspecten van de leefomgeving, zoals goed openbaar vervoer, sociale veiligheid en natuur- en recreatievoorzieningen. De afwijking van milieuregels is gekoppeld aan de besluitvorming over het bestemmingsplan.

Om te kunnen afwijken van bepaalde milieueisen moeten gemeenten met een stappenbenadering aantonen dat de geplande woningbouw niet zonder de interimwet onder de bestaande regels gerealiseerd kan worden. De interimwet maakt een integrale benadering van milieu en ruimtelijke ordening in de ruimtelijke planvorming mogelijk. Dit gebeurt in drie achtereenvolgende stappen, waarbij een volgende stap pas wordt gezet als de vorige stap geen definitieve oplossing kan bieden:

  1. Bronbeleid: De betrokkenen lossen knelpunten zo veel mogelijk op door brongerichte maatregelen. Zo wordt stankoverlast bestreden door bijvoorbeeld filters te bouwen in een fabrieksschoorsteen (de bron van de stank). En geluidsoverlast van wegverkeer kan wellicht “voldoende” worden verminderd door bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen in te voeren.
  2. Maatwerk: Als bronbeleid geen uitkomst biedt, komt het aan op maatwerk. Betrokkenen proberen tot andere oplossingen te komen door maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden in de wet- en regelgeving. Zo kunnen zij geluidsoverlast voorkomen (beperken) door het nemen van geluidwerende maatregelen zoals het toepassen van speciaal glas, kierdichting en suskasten of het specifiek indelen van de woning rekening houdend met de geluidsbronnen.
  3. Afwijking van wet- en regelgeving: Als de stappen 1 en 2 niets oplossen en regels de (her)inrichting van een gebied blijven belemmeren, biedt de interimwet de mogelijkheid om van bestaande wet- en regelgeving af te wijken. Het afwijken van milieueisen in de woonwijk is slechts mogelijk als compensatie plaatsvindt bij andere aspecten van de leefomgeving, zoals goed openbaar vervoer, sociale veiligheid en natuur- en recreatievoorzieningen.

De afwijking van milieuregels is gekoppeld aan de besluitvorming over het opstellen of herzien van een bestemmingsplan. Een afwijkingsbesluit of stap 3-besluit geldt voor een bepaald projectgebied. Een afwijkingsbesluit moet goed gemotiveerd zijn. Ook dienen gemeenten te zorgen voor compensatie. Hierbij moeten de gemeenten in eerste instantie proberen om de afwijking van de milieunorm te compenseren binnen hetzelfde milieuterrein. Bijvoorbeeld door een overschrijding van de geluidsnorm door wegverkeer te compenseren met extra geluidsisolatie van de nieuwe woningen. Daarnaast kan de compensatie ook op andere milieuterreinen worden gezocht of bij de leefomgevingkwaliteit in brede zin. Van belang is uiteraard dat de compensatie wordt ingevuld in overleg met alle betrokkenen.